Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 13 september 2022, nr. IENW/BSK-2022/206437, houdende regels voor het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering aan de omgevingsdiensten voor de uitvoering van het interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (Regeling specifieke uitkering interbestuurlijk programma VTH)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet, de artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 4, eerste en tweede lid, en 5, onderdelen a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M en artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit Subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

fte:

fulltime-equivalent, de rekeneenheid voor de omvang van een baan of voor de totale personeelssterkte, waarbij één fte gelijk staat aan een werkweek van 36 uur;

IBP:

interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel;

minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

omgevingsdienst:

omgevingsdienst als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

ODNL:

de vereniging Omgevingsdienst NL;

pijler:

thema van het IBP;

VTH:

vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Artikel 2 Kaderbesluit subsidies I en M

De artikelen 2, eerste lid, 6, eerste en vierde lid, 11, 12, aanhef en onderdelen b, c, d, e, f, g, h, i, en k, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, e en f, en tweede lid, 18, 21, 23, eerste lid, en 24, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op een specifieke uitkering die op grond van deze regeling wordt verstrekt.

Artikel 3 Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel additionele capaciteit te realiseren bij omgevingsdiensten en financiële middelen ter beschikking te stellen aan omgevingsdiensten ter uitvoering van het IBP.

Artikel 4 Activiteiten die in aanmerking komen voor een specifieke uitkering

De minister kan op aanvraag aan een omgevingsdienst een specifieke uitkering verstrekken voor additionele capaciteit en financiële middelen voor de activiteiten, bedoeld in bijlage I, voor de periode 15 september 2022 tot en met 31 december 2023.

Artikel 5 Kosten die in aanmerking komen voor een specifieke uitkering

  • 1. Voor een specifieke uitkering komen in aanmerking:

    • a. kosten voor de gemaakte uren van de activiteiten in bijlage I met inbegrip van inhuur met een maximum van € 130 per uur met inbegrip van omzetbelasting en reiskosten; en

    • b. kleine materiële uitgaven ten behoeve van de activiteiten, met een maximum van 10% van de uitkering.

  • 2. Kosten als bedoeld in het eerste lid die zijn gemaakt in de periode 15 september 2022 tot en met 31 december 2023 komen voor vergoeding in aanmerking.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt geen uitkering verstrekt voor verschuldigde omzetbelasting, tenzij de ontvanger aantoonbaar de omzetbelasting niet kan verrekenen of hiervoor geen compensatie kan krijgen op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds.

Artikel 6 Uitkeringsplafond

Het uitkeringsplafond bedraagt € 15.000.000,–.

Artikel 7 Wijze van verdelen

De minister verstrekt per omgevingsdienst ten hoogste één specifieke uitkering van ten hoogste het bedrag dat voor die omgevingsdienst is opgenomen in bijlage II.

Artikel 8 Aanvraag tot verlening

  • 1. Elke aanvrager dient één aanvraag in waarin alle gewenste activiteiten zijn opgenomen.

  • 2. Een aanvraag voor een specifieke uitkering voor een activiteit wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister op Rijksoverheid.nl beschikbaar gesteld digitaal formulier.

  • 3. Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt ingediend in de periode van 15 september 2022 tot en met 14 oktober 2022.

  • 4. In de aanvraag worden opgenomen:

    • a. de gegevens van de contactpersoon bij de omgevingsdienst;

    • b. het bedrag van de aangevraagde specifieke uitkering;

    • c. een activiteitenplan dat een beschrijving bevat van:

      • 1°. de te verrichten activiteiten, bedoeld in bijlage I;

      • 2°. de wijze waarop deze activiteiten worden ingericht en uitgevoerd;

      • 3°. de bijdrage die daarmee wordt geleverd aan de doelen van het IBP;

      • 4°. het aantal geraamde uren dat per activiteit is geraamd; en

    • d. een gespecificeerde begroting die inzicht geeft in de uitgaven van de omgevingsdienst, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten en de periode waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd.

    • e. het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden gestort, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat;

  • 5. De directeur van de omgevingsdienst verklaart met het doen van de aanvraag dat de aanvraag is afgestemd met het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst.

  • 6. Ingeval van een onvolledige aanvraag wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen twee weken aan te vullen met de gegevens die op grond van dit artikel zijn vereist.

Artikel 9 Verlening

Een besluit tot verlening vermeldt in elk geval:

  • a. de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend;

  • b. het bedrag van de specifieke uitkering;

  • c. de wijze waarop het bedrag van de specifieke uitkering is bepaald;

  • d. de termijnen waarin de voorschotten worden verstrekt; en

  • e. de periode, 15 september 2022 tot en met 31 december 2023, waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

Artikel 10 Verplichtingen ontvanger

  • 1. De omgevingsdienst besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de activiteiten opgenomen in het activiteitenplan, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder c, en in de periode tussen 15 september 2022 en 31 december 2023.

  • 2. Indien de omgevingsdienst activiteiten inhoudelijk wil wijzigen, dient het een gewijzigd activiteitenplan in bij de minister in de periode, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De omgevingsdienst rondt de activiteiten uiterlijk op 31 december 2023 af.

  • 4. De omgevingsdienst houdt een separate urenverantwoording en kosten per activiteit bij en bewaart deze gegevens gedurende tenminste 5 jaar.

Artikel 11 Bevoorschotting en betaling

  • 1. De minister verstrekt bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 9, een voorschot van maximaal 100%.

  • 2. Het voorschot wordt uitgekeerd in twee termijnen:

    • 1/3 deel binnen 6 weken na de verlening;

    • 2/3 deel binnen 3 maanden na de verlening.

Artikel 12 Vaststelling

De minister stelt de specifieke uitkering vast uiterlijk op 31 december van het jaar waarop de laatste verantwoording volgens het principe, bedoeld in artikel 24, eerste lid, derde volzin, van het Kaderbesluit subsidies I en M, heeft plaatsgevonden.

Artikel 13 Evaluatie

De minister publiceert uiterlijk op 31 december 2025 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de uitkering in de praktijk

Artikel 14 Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 september 2022. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 14 september 2022, treedt de regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2023, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt.

Artikel 15 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering interbestuurlijk programma VTH.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, V.L.W.A. Heijnen

BIJLAGE I ACTIVITEITEN DIE IN AANMERKING KOMEN VOOR EEN SPECIFIEKE UITKERING, BEHOREND BIJ ARTIKEL 4

De uitkering wordt gebruikt om aanvullende capaciteit te creëren bij een omgevingsdienst zodat activiteiten, opgenomen in onderstaande tabel, kunnen worden uitgevoerd.

Voor de onderstaande activiteiten kan de aanvullende capaciteit worden ingezet. Hiervoor geldt de gemaximeerde uurvergoeding, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a. Per activiteit zijn de verplichte indicatoren voor de verantwoording opgenomen.

Het IBP kent zes pijlers waarin alle aanbevelingen van de commissie Van Aartsen zijn opgenomen met uitzondering van aanbeveling 4 over het basistakenpakket. De opvolging van deze aanbeveling is al buiten het IBP in gang gezet. In het programmaplan IBP zijn per pijler de programmadoelen uitgewerkt inclusief planning. De zes pijlers zijn:

  • 1. Robuuste omgevingsdiensten en financiering (aanbevelingen 1, 2, 5 en 10 van de commissie Van Aartsen)

  • 2. Bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving en vervolging (aanbeveling 3 van de commissie Van Aartsen)

  • 3. Informatievoorziening VTH (aanbeveling 6 van de commissie Van Aartsen, de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, de aangenomen motie Hagen van 8 juli 20211 en de aangenomen motie Hagen/Sneller van 1 juni 20222)

  • 4. Kennisinfrastructuur en arbeidsmarkt (aanbeveling 6 van de commissie Van Aartsen met toevoeging van arbeidsmarkt voor gekwalificeerd personeel)

  • 5. Onafhankelijke uitvoering van toezicht en handhaving (aanbevelingen 7 en 8 van de commissie Van Aartsen)

  • 6. Monitoring kwaliteit milieutoezicht (aanbeveling 9 van de commissie Van Aartsen)

 

Activiteit

Pijler

Verplichte (SiSa) indicatoren

1

Deelname aan werk- en projectgroepen van het IBP.

Alle pijlers

Aantal bijgewoonde bijeenkomsten (data en pijler), verrichte activiteiten en aantal uren voorbereiding, deelname en (mogelijke) uitwerking. Bij meer dan 5 uur per bijeenkomst, omschrijving van werkzaamheden.

2

Aanleveren van data voor het IPB op verzoek van ODNL.

Alle pijlers

Uren per opgevraagd document door ODNL.

3

Scholing en opleiding van medewerkers voor verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken.

Alle pijlers

Omschrijving van scholing/opleiding, kosten en opleidings-/scholingsuren.

4

Activiteiten gericht op het krijgen van inzicht in de bestaande vormen van bekostiging van de omgevingsdienst en in de voor- en nadelen hiervan aan de hand van de uitgevraagde documenten door ODNL.

1

Uren per uitgevraagd document over de vorm van bekostiging door ODNL.

5

Activiteiten gericht op de implementatie van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet

2 en 5

Omschrijving van activiteiten, uren voor bijdrage aan Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet en eventuele bestuurlijke vaststelling.

6

Voor de 6 Brzo-omgevingsdiensten: Activiteiten gericht op de uniforme indeling naar risico van zorgbedrijven (risico ranking) volgende uit de inspectiemethodiek Landelijke Benadering Risicobedrijven

2

Aantal bedrijven waarbij de risico ranking is bijgewerkt en daaraan bestede uren.

7

Activiteiten gericht op het openbaar maken van definitieve handhavingsbeschikkingen Wabo-inspecties (of soortgelijke inspecties onder Omgevingswet) van bedrijven.

2

Aantal openbaar gemaakte handhavingsbeschikkingen en daaraan bestede uren.

8

Activiteiten in afstemming met ODNL die verband houden met de door ODNL op te zetten en uit te voeren landelijke arbeidsmarktcampagne.

4

Beschrijving van verrichte activiteiten en resultaat in aantal geworven medewerkers.

9

Participeren in het onderzoek onder het IBP naar belangrijke (transitie)opgaven, zoals circulaire economie en energie, en hoe deze opgenomen kunnen worden in de regionale strategieën. De coördinatie hierop verloopt via de pijlerwerkgroep.

5

Beschrijving van activiteiten en daaraan bestede uren.

10

Participeren in het onderzoek onder het IBP gericht op het ontwikkelen van één risicoanalyse en uitvoerings- en handhavingsplan per omgevingsdienst.

5

Beschrijving van activiteiten en daaraan bestede uren.

11

Opstellen en uitvoeren van implementatieprogramma voor het werkgebied van de omgevingsdienst van de risicoanalyse en het uitvoerings- en handhavingsplan.

5

Omschrijving van activiteiten, uren besteed aan de risicoanalyse, het uitvoerings- en handhavingsplan en de (eventuele) bestuurlijke vaststelling.

12

Participeren in onderzoek naar mandaten. De coördinatie hierop verloopt via de pijlerwerkgroep.

5

Beschrijving van activiteiten en daaraan bestede uren.

13

Voorbereiden en uitvoeren van de (pilots van de) visitaties bij omgevingsdiensten en meewerken aan evaluatie van de pilots.

6

Beschrijving van activiteiten, daaraan bestede uren en de afgeronde verslagen van visitaties.

14

Meewerken aan de opstelling van een plan van aanpak voor het inrichten van een systeem van onderzoeken door ILT naar het functioneren van het VTH stelsel door het uitvoeren van thematische en signalerende onderzoeken.

6

Beschrijving van activiteiten en daaraan bestede uren.

BIJLAGE II VERDEELSLEUTEL OMGEVINGSDIENSTEN, BEHOREND BIJ ARTIKEL 8

De omzetcijfers per omgevingsdienst waarmee het variabele bedrag van de uitkering wordt bepaald, zijn in afstemming met ODNL opgesteld.

 

Aandeel op basis van omzet

Variabele waarde

Vaste waarde

Maximale uitkering

Nederland

1

6.300.000

8.700.000

15.000.000

Omgevingsdienst Achterhoek

0,012962963

75.000

300.000

375.000

Omgevingsdienst Brabant Noord

0,046296296

300.000

300.000

600.000

Omgevingsdienst DCMR Milieudienst Rijnmond

0,092592593

450.000

300.000

750.000

Omgevingsdienst De Vallei

0,022222222

150.000

300.000

450.000

Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek

0,022222222

150.000

300.000

450.000

Omgevingsdienst Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO)

0,031481481

225.000

300.000

525.000

Omgevingsdienst Groningen

0,031481481

225.000

300.000

525.000

Omgevingsdienst Haaglanden

0,046296296

300.000

300.000

600.000

Omgevingsdienst IJmond

0,022222222

150.000

300.000

450.000

Omgevingsdienst IJsselland

0,022222222

150.000

300.000

450.000

Omgevingsdienst Midden- en West Brabant

0,074074074

375.000

300.000

675.000

Omgevingsdienst Midden-Holland

0,046296296

300.000

300.000

600.000

Omgevingsdienst Noord-Holland Noord

0,031481481

225.000

300.000

525.000

Omgevingsdienst Noord-Veluwe

0,012962963

75.000

300.000

375.000

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

0,074074074

375.000

300.000

675.000

Omgevingsdienst Regio Arnhem

0,031481481

225.000

300.000

525.000

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

0,046296296

300.000

300.000

600.000

Omgevingsdienst Regio Utrecht

0,022222222

150.000

300.000

450.000

Omgevingsdienst Rivierenland

0,031481481

225.000

300.000

525.000

Omgevingsdienst RUD Drenthe

0,031481481

225.000

300.000

525.000

Omgevingsdienst RUD Limburg-Noord

0,031481481

225.000

300.000

525.000

Omgevingsdienst RUD Utrecht

0,022222222

150.000

300.000

450.000

Omgevingsdienst RUD Zeeland

0,012962963

75.000

300.000

375.000

Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg

0,022222222

150.000

300.000

450.000

Omgevingsdienst Twente

0,022222222

150.000

300.000

450.000

Omgevingsdienst Veluwe IJssel

0,012962963

75.000

300.000

375.000

Omgevingsdienst West-Holland

0,031481481

225.000

300.000

525.000

Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

0,046296296

300.000

300.000

600.000

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

0,046296296

300.000

300.000

600.000

TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding van de specifieke uitkering

Per 1 januari 2014 is een landelijk dekkend stelsel van omgevingsdiensten3 ingegaan, waarmee de benodigde kennis op het terrein van milieu bijeen is gebracht, nadat eerder al regionaal initiatieven waren genomen. De uitwerking van het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (hierna: VTH) is in 2016 opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en uitgewerkt in het Besluit Omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht. Provincies en gemeenten hebben bepaalde taken aan de omgevingsdiensten gemandateerd. De omgevingsdiensten verlenen omgevingsvergunningen voor milieuactiviteiten aan bedrijven en zien toe op naleving van de vergunning en van de bij en krachtens de Wet milieubeheer gestelde regels. De omgevingsdiensten leggen over de uitoefening van die taken verantwoording af aan hun provincie(s) en gemeenten. Het aantal omgevingsdiensten bedraagt 29, waarvan 6 diensten zijn aangewezen om toezicht te houden op de BRZO-bedrijven.4 De Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: minister) is de verantwoordelijke voor het VTH-stelsel. Het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van de gemeentelijke taken is belegd bij de provincies. De Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) houdt toezicht op de uitvoering van de provinciale taken in het kader van de fysieke leefomgeving.

In het coalitieakkoord is structureel € 24 miljoen per jaar gereserveerd vanaf 20225. Dit bedrag is verdeeld over enerzijds een bedrag van € 18 miljoen aan beleidsmiddelen voor de versterking van het VTH-stelsel en anderzijds een van 2 naar 6 miljoen euro oplopend bedrag (over een periode van 3 jaar) voor de versterking van de ILT op het gebied van het VTH-stelsel, zoals voor taken op het gebied van milieucriminaliteit en milieurisico’s. Dit bedrag wordt aangewend om de capaciteit van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst binnen de ILT de komende jaren substantieel uit te breiden.

De uitkomsten en aanbevelingen van de commissie Van Aartsen (in haar rapport 'Om de leefomgeving. Omgevingsdiensten als gangmaker van het bestuur')6 en de bevindingen van de Algemene Rekenkamer in haar rapporten 'Een onzichtbaar probleem' en 'Handhaven in het duister' 7 zijn leidend voor de verdeling van de middelen. Voor de opvolging van deze aanbevelingen is een Interbestuurlijk Programma Versterking VTH-stelsel (hierna: IBP) vastgesteld, waarvan het programmaplan op 8 juli 20228 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Hierin zijn per themagerichte pijler de (sub)doelstellingen opgenomen voor de invulling waarvan ook inzet en capaciteit van de omgevingsdiensten nodig is. Om direct vanaf het najaar 2022 de omgevingsdiensten in staat te stellen een start te maken met de activiteiten die vanuit het IBP-programma noodzakelijk zijn, wordt in deze regeling een specifieke uitkering aan alle 29 omgevingsdiensten van in totaal € 15 miljoen mogelijk gemaakt.

2. Noodzaak en doel van de specifieke uitkering

Het is de ambitie van het kabinet om de leefomgeving schoner, veiliger en gezonder te maken. Een belangrijk onderdeel daarvan is het voorkomen van milieuschade in plaats van deze achteraf te herstellen. Dat vraagt om een sterker en onafhankelijker VTH-stelsel op het terrein van milieu. Hiervoor zijn het IBP en bijbehorende acties geformuleerd. Zo hebben de partijen in het IBP gesteld dat in het stelsel van de Omgevingswet Inspectieview het verplichte systeem wordt om binnen de gehele VTH-keten informatie te delen. Het is voor omgevingsdiensten essentieel om bij Inspectieview aangesloten te zijn. Een belangrijke focus van het IBP is daarnaast het op orde brengen van de uitvoering van de basistaken.9

Omgevingsdiensten moeten in staat zijn om de opgedragen taken op een professionele manier uit te voeren. Om dit te kunnen realiseren, moet de effectiviteit en slagvaardigheid van de omgevingsdiensten worden versterkt.

Omdat omgevingsdiensten de VTH-taken uitvoeren, is het belangrijk dat ze capaciteit (in mensuren) beschikbaar krijgen om de acties uit het IBP uit te voeren. Aangezien de gemeenten en provincies de opdrachtgevers zijn van de omgevingsdiensten en bepalen welke middelen daarvoor beschikbaar worden gesteld, is deze specifieke uitkering nadrukkelijk bedoeld om daarmee alleen extra activiteiten in het kader van het IBP uit te voeren. De middelen uit de specifieke uitkering komen dus boven op de middelen die de gemeenten en provincies beschikbaar stellen voor de uitvoering van de VTH-taken.

3. De voorwaarden die worden opgelegd en de noodzakelijkheid daarvan

Het IBP kent zes pijlers waarin alle aanbevelingen van de commissie Van Aartsen zijn opgenomen met uitzondering van aanbeveling 4 over het basistakenpakket (in relatie tot gemeenten die nog niet het volledige basistakenpakket bij hun omgevingsdiensten hebben belegd). De opvolging van deze aanbeveling vindt buiten het IBP plaats en is in gang gezet met een brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: IenW)10 aan de provincies waarin wordt verzocht om hun systeemrol in het interbestuurlijk toezicht op gemeenten daadwerkelijk op te pakken.

In het programmaplan IBP zijn per pijler de programmadoelen uitgewerkt inclusief de planning. De zes pijlers zijn:

  • a. Robuuste omgevingsdiensten en financiering (aanbevelingen 1, 2, 5 en 10 van de commissie Van Aartsen);

  • b. Bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving en vervolging (aanbeveling 3 van de commissie Van Aartsen);

  • c. Informatievoorziening VTH (aanbeveling 6 van de commissie Van Aartsen, de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, de aangenomen motie Hagen van 8 juli 202111 en de aangenomen motie Hagen/Sneller van 1 juni 202212;

  • d. Kennisinfrastructuur en arbeidsmarkt (aanbeveling 6 van de commissie Van Aartsen met toevoeging van arbeidsmarkt voor gekwalificeerd personeel);

  • e. Onafhankelijke uitvoering van toezicht en handhaving (aanbevelingen 7 en 8 van de commissie Van Aartsen);

  • f. Monitoring kwaliteit milieutoezicht (aanbeveling 9 van de commissie Van Aartsen).

Het eerste jaar (2022) dat de VTH-middelen vanuit het coalitieakkoord zijn toegekend (€ 18 miljoen) wijkt af, omdat de daadwerkelijke start van de uitvoering van het programmaplan van het IBP na de zomer van 2022 plaatsvindt. Om de in het IBP-programmaplan opgenomen acties uit te kunnen voeren, worden naast de middelen vanuit deze specifieke uitkering ook voor een deel al middelen ingezet op no regret zaken zoals apparaatskosten voor het programmabureau IBP, de doorontwikkeling van de gemeenschappelijke inspectiedatabase voor BRZO-bedrijven (GIR) en de inzet op overkoepelende thema’s vanuit de commissie Van Aartsen die voor alle omgevingsdiensten van belang zijn. De inzet op overkoepelende thema’s vanuit de commissie van Aartsen gaat via een aparte subsidie IBP voor 2022 naar Omgevingsdienst NL (hierna: ODNL), de overkoepelende vereniging van de 29 omgevingsdiensten in Nederland. Deze vereniging zet zich in voor het versterken en verbinden van gezamenlijke kennis en expertise om zo gezamenlijk bij te dragen aan de kwaliteit van een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving.

Naast de subsidie voor ODNL is het noodzakelijk om te bewerkstelligen dat de omgevingsdiensten additionele capaciteit en financiële middelen krijgen om invulling te geven aan de opvolging van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen via de acties die voortkomen uit de pijlers van het IBP. Dat wordt met deze regeling mogelijk gemaakt.

Daarvoor wordt in 2022 aan elke omgevingsdienst op aanvraag een specifieke uitkering verstrekt met een maximumbedrag van € 300.000 aangevuld met een variabel bedrag dat afhankelijk is van de gehanteerde verdeelsleutel zoals opgenomen in bijlage II bij deze regeling. Het variabele bedrag van de verdeelsleutel is gebaseerd op de omzet van de betreffende omgevingsdienst.

De omgevingsdienst die een aanvraag indient, moet een beschrijving van de uit te voeren activiteiten en een begroting indienen. Op rijksoverheid.nl wordt een digitaal formulier beschikbaar gesteld waarmee de omgevingsdiensten alle gevraagde gegevens kunnen invullen. De begroting die bij het activiteitenplan hoort, kan niet hoger zijn dan het bedrag, opgenomen in bijlage II. De omgevingsdienst kan naar eigen inzicht deze extra capaciteit inzetten binnen de kaders die in deze regeling voor het projectplan en de uitvoering van de activiteiten gesteld worden.

Wel zal ODNL gedurende de looptijd regie voeren op de uitvoering van de activiteiten door de omgevingsdiensten. Voor deze rol worden ODNL-middelen beschikbaar gesteld vanuit de subsidie IBP voor 2022 aan ODNL. ODNL neemt als partij deel in het IBP en is tevens trekker voor pijler 4 (kennisinfrastructuur en arbeidsmarkt). Vanuit deze rol kan ODNL aan de omgevingsdiensten aangeven en instrueren wat vanuit de IBP-pijlers precies gevraagd wordt van ze en welke activiteiten prioriteit hebben. Daarmee kunnen de omgevingsdiensten allereerst hun aanvraag op een efficiënte manier opstellen en indienen. Daarnaast zal door deze aanpak ook minder kans zijn op correcties achteraf of interpretatiediscussies over opgeleverde data en overzichten. ODNL coördineert en levert hiermee de overzichten van de gevraagde informatie ten behoeve van de vraagstukken bij de respectievelijke pijlers binnen het IBP aan de pijlertrekkers van het IBP zodat zij de programmaplannen kunnen uitvoeren.

Op dit moment worden de thema’s binnen de pijlers van het IBP verder uitgewerkt, waardoor daarin nog lichte accentverschuivingen kunnen plaatsvinden. Mogelijk leiden deze dan ook tot een gewijzigde formulering en opzet en andere inzet van de in bijlage I opgenomen activiteiten (bijlage I). Alleen in het geval dat dit ten opzichte van de aanvraag leidt tot een sterk inhoudelijke wijziging van de activiteiten door een omgevingsdienst gedurende de looptijd, dient dit afgestemd te worden met de minister.

De communicatie rondom deze regeling verloopt via een door alle IBP-partners (Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), ODNL en IenW) gezamenlijk georganiseerde bijeenkomst waar directeuren, MT-leden en bestuursleden van omgevingsdiensten zullen worden ingelicht over het doel, de opzet en uitvoering van de regeling. Daarnaast zullen omgevingsdiensten gedurende de aanvraagtermijn gerichte vragen kunnen stellen aan ODNL, alsmede aan de hiervoor tijdelijk aangestelde IenW-medewerk(st)er. ODNL kan individuele omgevingsdiensten advies geven over de besteding van de middelen en zal de eindrapportage(s) toetsen aan de voorwaarden en hierover advies uitbrengen aan de minister. Hiervoor krijgen zij middels een separate incidentele subsidie een bedrag uitgekeerd voor de werkzaamheden in de kalenderjaren 2022 en 2023. Verder wordt ODNL gevraagd om begin februari 2023 een sessie te organiseren om de voortgang met de omgevingsdiensten te bespreken.

4. Verhouding tot bestaande regelgeving

Op grond van deze regeling worden specifieke uitkeringen verstrekt aan omgevingsdiensten voor het verrichten van activiteiten die voorkomen in de pijlers van het IBP. In artikel 4.21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat titel 4.2 (Subsidies) van die wet niet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen die worden verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. In artikel 2 van de Kaderwet subsidies I en M is echter bepaald dat titel 4.2 van de Awb wel van toepassing is op financiële middelen die worden verstrekt aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Dit geldt voor de in de Kaderwet subsidies I en W begrensde beleidsterreinen, waaronder milieu. Om die reden is titel 4.2 van de Awb van toepassing op deze regeling. Hierin zijn bepalingen opgenomen die relevant zijn of kunnen zijn voor de ontvangers zoals de artikelen 4:46 Awb (subsidievaststelling) en 4:57 Awb (terugvordering). Voorts is een aantal artikelen van het Kaderbesluit subsidies I en M (verder: Kaderbesluit) in deze regeling van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet regelt dat eenmalige specifieke uitkeringen kunnen worden geregeld bij ministeriële regeling. De onderhavige regeling geeft daar uitvoering aan.

Daarnaast is artikel 58a van de Wet gemeenschappelijke regelingen van toepassing, dat regelt dat op specifieke uitkeringen die worden verstrekt aan gemeenschappelijke regelingen van provincies en gemeenten de artikelen 17a en 17b van de Financiële-verhoudingswet van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekent dat de omgevingsdiensten zich verantwoorden via de SiSa-systematiek en de daarbij van toepassing zijnde regels over het indienen van de verantwoording en dat het sanctiebeleid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van kracht is.

5. Bestuurlijke lasten

De bestuurlijke lasten van de regeling bestaan uit de lasten voor de omgevingsdienst (i.c. de directeur) voor het opstellen van de aanvraag en deze af te stemmen met het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst.

De lasten voor het opstellen van een activiteitenplan, het afstemmen met het dagelijks bestuur, het rapporteren en het monitoren van de voortgang verschillen per omgevingsdienst. Voor het opstellen en indienen van een activiteitenplan wordt circa 10 uur gerekend. Uitgaande van een gemiddeld uurtarief van € 100 komen de administratieve lasten per aanvraag neer op ongeveer € 1.000. Er zijn 29 omgevingsdiensten die een aanvraag kunnen doen voor een specifieke uitkering. Dit leidt tot een totaalbedrag voor de 29 omgevingsdiensten van € 29.000,–.

De aanvraag wordt digitaal gedaan. In de aanvraag worden onder anderen het activiteitenplan, de geplande activiteiten en welke bijdrage die leveren aan de doelen van het IBP toegelicht. De aanvraag wordt beoordeeld aan de in de regeling genoemde voorwaarden. Omgevingsdiensten zullen naast het activiteitenplan, inhoudelijke gegevens ten behoeve van het aanvraagproces ook contactgegevens moeten aanleveren.

De omgevingsdiensten verantwoorden zich via de SiSa-systematiek. Die ook gemeenten en provincies elk jaar moeten gebruiken bij het melden aan de rijksoverheid of en zo ja, op welke wijze ze het geld hebben besteed. SiSa staat voor ‘single information, single audit’: eenmalige informatieverstrekking, eenmalige accountantscontrole. De SiSa-bijage is onderdeel van de jaarrekening van decentrale overheden en gemeenschappelijke regelingen. Deze verantwoordingsystematiek leidt tot de minste administratieve lasten voor de medeoverheden alsmede tot minder uitvoeringslasten voor de rijksoverheid.

6. Financiële gevolgen rijksoverheid

Voor deze regeling is in totaal € 15.000.000,– (inclusief BTW) beschikbaar op de begroting van het Ministerie van IenW. Het betreft een eenmalige specifieke uitkering voor omgevingsdiensten, met één aanvraagperiode en één toekenningsmoment.

7. Uitvoering, toezicht en handhaving

Namens de minister heeft ODNL een regierol voor de inhoudelijke afstemming van de activiteiten. Omdat alle omgevingsdiensten maximaal een aanvraag ter hoogte van hun vastgestelde aandeel op basis van de verdeelsleutel, opgenomen in bijlage II, kunnen indienen, zal het budget niet uitgeput raken totdat alle partijen een aanvraag ingediend hebben. Omgevingsdiensten dienen rechtstreeks via de SiSa-bijlage bij hun eigen jaarrekening de verantwoording bij IenW in. Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de uitkering niet of niet juist is besteed aan de activiteiten waarvoor de uitkering is verstrekt, kan deze (deels) teruggevorderd worden.

8. Consultatie

Bij het opstellen van de regeling is een afvaardiging van de omgevingsdiensten, VNG, IPO en ODNL betrokken. Gezamenlijk zijn de in de regeling opgenomen eisen en activiteiten vastgesteld.

In het licht van de bestuurlijke verhoudingen tussen rijk, decentrale overheden en omgevingsdiensten past het meer om de specifieke uitkering te verstrekken aan de decentrale overheden. Echter, gezien de noodzaak om zo spoedig mogelijk te starten met de uitvoering van de activiteiten is er bij wijze van uitzondering voor gekozen om de specifieke uitkering rechtstreeks aan de omgevingsdiensten te verstrekken in plaats van via de decentrale overheden. Dit is akkoord bevonden door de VNG en het IPO.

De VNG gaf aan het van belang te vinden dat deze specifieke uitkering eenmalig is en dat de uitkeringen uitsluitend worden gebruikt voor het verrichten van werkzaamheden binnen het IBP. Daarnaast werd aangegeven dat er zorgen bestaan over de capaciteit bij de omgevingsdiensten. De vraag is of de werkzaamheden wel kunnen worden verricht omdat nu met de bestaande bezetting vrijwel alles gericht is op de uitvoering van de VTH-taken. Bovendien komen er nog andere specifieke uitkeringen en uitvragen van gemeenten en provincies af op de omgevingsdiensten. Om de opdrachtgeversrol van de provincies en gemeenten te bewaken wordt de omgevingsdienst bij het indienen van het activiteitenplan gevraagd of het dagelijks bestuur, waar deze opdrachtgevers in vertegenwoordigd zijn, akkoord is.

9. Toetsing regeldruk

Omdat de regeling is gericht op een financiële relatie tussen de overheden is deze regeling niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk in overeenstemming met de richtlijn van dit college; de regeling heeft geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven en daarmee ook geen gevolgen voor de regeldruk. De bestuurlijke lasten voor overheden zijn hierboven in kaart gebracht.

10. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 15 september 2022, dan wel op de dag na publicatie in de Staatscourant, wanneer die na 14 september 2022 plaatsvindt. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en de minimum invoeringstermijn, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep (omgevingsdiensten) gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding.

Artikelsgewijs

Artikel 2 Kaderbesluit subsidies I en M

Op grond van artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M (hierna:Kaderbesluit) worden artikelen van dat besluit van overeenkomstige toepassing verklaard op de onderhavige regeling voor het verlenen van rijksbijdragen aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Op deze manier kan het reguliere stramien voor de verlening van subsidies voor alle ontvangers worden aangehouden.

In dit artikel is geregeld welke artikelen van het Kaderbesluit van overeenkomstige toepassing zijn. Het betreft de artikelen met betrekking tot de subsidiabele kosten (artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit), de afwijzingsgronden (artikelen 11 en 12 Kaderbesluit), de subsidieverstrekking (artikel 14 Kaderbesluit), de verplichtingen van de subsidieontvanger (artikelen 17, 18 en 21 Kaderbesluit), de bevoorschotting (artikel 23 Kaderbesluit) en de vaststelling (artikel 24 Kaderbesluit).

Artikel 3 Doel van de regeling

Het doel van deze regeling is om omgevingsdiensten additionele capaciteit te laten realiseren en financiële middelen te verstrekken voor de opvolging van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen, dan wel capaciteit om de acties in de pijlers van het IBP te realiseren. De provincie(s) en gemeenten, verenigd in een gemeenschappelijke regeling (een omgevingsdienst), financieren de dagelijkse taken van een omgevingsdienst veelal op basis van de geleverde producten en diensten zoals het uitvoeren van inspecties en het verlenen van vergunningen. Naast deze dagelijkse taken zal er capaciteit beschikbaar moeten worden gesteld voor de activiteiten die verricht moeten worden in het kader van het IBP. De specifieke uitkering heeft als doel om de capaciteit te financieren die vrijgemaakt moet worden voor de activiteiten in het kader van het IBP, zoals beschreven in bijlage I.

Artikel 4 Activiteiten die in aanmerking komen voor een specifieke uitkering

Met dit artikel wordt beoogd dat de uitvoering van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering kan worden verstrekt, bijdraagt aan het in artikel 3 bepaalde doel van de regeling. Deze activiteiten zijn opgenomen in bijlage I.

Artikel 5 Kosten die in aanmerking komen voor een specifieke uitkering

Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit komen voor de uitkering in aanmerking uitsluitend de gemaakte kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten.

Voor een specifieke uitkering komen in principe alleen de gemaakte uren voor de activiteiten (inclusief die van inhuur) en eventuele reiskosten voor een vergoeding in aanmerking. Voor degene die de activiteiten uitvoert is dat € 130,– (inclusief inhuur). Voor het gemiddelde uurtarief voor de berekening van de lasten in paragraaf 5 is uitgegaan van een bedrag van € 100,– exclusief inhuur. Het is mogelijk dat de omgevingsdiensten omzetbelasting verschuldigd zijn. Deze kosten kunnen eveneens betaald worden uit de uitkering, tenzij de ontvanger aantoonbaar de omzetbelasting niet kan verrekenen of hiervoor geen compensatie kan krijgen op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds. Kleine materiële uitgaves zoals de noodzakelijke aanschaf van een applicatie en reiskosten zijn ook toegestaan. Veel activiteiten die met de specifieke uitkering op grond van deze regeling bekostigd kunnen worden, kunnen mogelijk extern ingekocht worden, bijvoorbeeld externe opleidingen. Deze uitgaves mogen ten hoogste 10% zijn van de te ontvangen uitkering.

Kosten die niet voor een specifieke uitkering in aanmerking komen zijn onder anderen zaalhuur en het organiseren van symposia of andere events.

Overeenkomstig artikel 6, vierde lid, van het Kaderbesluit komt verschuldigde BTW uitsluitend voor uitkering in aanmerking ingeval de ontvanger de btw niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting. In het derde lid is bepaald dat de ontvanger dit dient aan te tonen.

Artikel 6 Uitkeringsplafond

Dit bedrag is als volgt tot stand gekomen. Het coalitieakkoord bevat € 18 miljoen. aan beleidsmiddelen voor 2022. Daarvan is € 15 miljoen bestemd voor deze specifieke uitkeringsregeling. Daarnaast zal ODNL een subsidie van € 1,5 miljoen ontvangen voor overkoepelende taken. De resterende € 1,5 miljoen wordt besteed aan aan kennisversterking bij BRZO+13 en het programmabureau van het IBP.

Artikel 7 Wijze van verdelen

In bijlage II wordt per omgevingsdienst door middel van een verdeelsleutel een maximaal bedrag voor de gehele looptijd van de regeling vastgesteld. Deze verdeelsleutel bestaat uit een vaste waarde van € 300.000,– en een variabele waarde op basis van de omzet van de betreffende omgevingsdienst.

Artikel 8 Aanvraag tot verlening

Iedere omgevingsdienst krijgt ten hoogste het bedrag uitgekeerd volgens de verdeelsleutel, zoals opgenomen in bijlage II, waarbij rekening is gehouden met artikel 7 en artikel 10. De aanvraag dient te worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 14 oktober 2022 en dient te bestaan uit de onderdelen genoemd in artikel 8. De activiteiten in het activiteitenplan moeten gebaseerd zijn op de genoemde activiteiten in bijlage I. Daarbij geldt dat waar sprake is van “participeren in” in de beschrijving van de activiteiten 2, 8, 9 en 11 verstaan moet worden het aanleveren van informatie aan de ODNL. De aanpak van deze activiteiten zal worden gecoördineerd vanuit ODNL teneinde te borgen dat de gevraagde informatie, afgestemd met het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst, wordt aangedragen.

In het zesde lid is bepaald dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld de onvolledige aanvraag binnen twee weken aan te vullen met de gegevens die op grond van dit artikel zijn benodigd.

Op grond van artikel 4:5 van de Awb kan worden besloten de aanvraag voor een subsidie niet te behandelen als de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling of in de Awb gestelde formele of procedurele vereisten voor het in behandeling nemen daarvan. Dergelijke vereisten zijn bijvoorbeeld te vinden in artikel 4:2, eerste lid, van de Awb en in dit artikel.

De minister heeft die bevoegdheid ook als de verstrekte gegevens en vereisten onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking. De aanvrager dient echter wel eerst in de gelegenheid te worden gesteld de aanvraag binnen een door de minister gestelde termijn aan te vullen.

Indien de aanvrager wordt uitgenodigd tot het aanvullen van de aanvraag, wordt vanaf dat moment de beslistermijn die artikel 14, eerste lid, van het Kaderbesluit geeft, opgeschort. De opschorting duurt tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de gestelde termijn ongebruikt is verstreken (artikel 4:15 Awb). De opschorting verlengt derhalve de termijn die de minister op grond van artikel 14, eerste lid, van het Kaderbesluit wordt gegeven voor het besluiten op de aanvraag.

Artikel 9 Verlening

Overeenkomstig de artikelen 11 en 12 (met uitzondering van de onderdelen a en j) van het Kaderbesluit wordt afwijzend beslist op een aanvraag als:

  • de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde regels;

  • onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkene de activiteiten kunnen financieren;

  • het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid;

  • het aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie worden uitgevoerd;

  • onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;

  • onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;

  • de activiteiten onvoldoende bijdrage aan de doelstelling van deze uitkering;

  • onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;

  • de kosten die in aanmerking komen voor de uitkering niet aannemelijk of redelijk zijn.

  • er naar het oordeel van Onze Minister onaanvaardbaar risico bestaat dat de uitvoering van een voorgenomen activiteit een onevenredige inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.

Overeenkomstig artikel 14, eerste en vierde lid, van het Kaderbesluit wordt de beschikking tot verlening van de uitkering gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Als een beschikking niet binnen die termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met dertien weken worden verlengd.

In het besluit tot verlening worden opgenomen: de activiteiten, het bijbehorende bedrag en de wijze waarop dat is bepaald, de termijn waarin de voorschotten worden verstrekt alsmede de periode waarin de betreffende activiteiten moeten zijn uitgevoerd. Alle uitkeringen moeten in de periode van 15 september tot en met 31 december 2023 worden uitgevoerd, maar de omgevingsdiensten kunnen de activiteiten vóór 31 december 2023 afronden of het geld vóór die datum uitgegeven. Kosten die zijn gemaakt vóór 15 september 2022 komen niet in aanmerking.

Artikel 10 Verplichtingen ontvanger

In dit artikel is vastgelegd dat de specifieke uitkering dient te worden besteed aan activiteiten zoals opgenomen in bijlage I in de periode tussen 15 september 2022 en 31 december 2023. De activiteiten dienen binnen die periode te worden afgerond. In het geval van een wijziging van de inhoud van de activiteiten wordt het gewijzigde activiteitenplan naar de minister gestuurd, eveneens binnen deze periode. Het staat de omgevingsdienst vrij om meer middelen te gebruiken voor deze activiteiten.

Overeenkomstig de artikelen 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, c en f, en 18 van het Kaderbesluit is de ontvanger verplicht:

  • de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteiten in de beschikking tot verlening;

  • te voldoen aan de verplichtingen die aan de uitkering zijn verbonden;

  • op een van tevoren, in de beschikking of in een ministeriële regeling aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de uitkering verbonden verplichtingen;

  • op verzoek van de minister de gevraagde medewerking te verlenen aan het evaluatieonderzoek,

  • medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de activiteit, tenzij openbaarmaking daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd:

  • de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of

  • niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Overeenkomstig artikel 17, tweede lid, van het Kaderbesluit kan de minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of het stopzetten van activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidie-ontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a van het Kaderbesluit. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Tot slot kan overeenkomstig artikel 21 van het Kaderbesluit Subsidies I en M de minister bij het besluit tot verlening van een uitkering nadere verplichtingen opleggen die noodzakelijk worden geacht ter verwezenlijking van het doel van de uitkering.

Artikel 11 Bevoorschotting en betaling

Overeenkomstig artikel 23, eerste lid van het Kaderbesluit verstrekt de minister ambtshalve, gelijktijdig met de beschikking tot verlening, een voorschot.

Ingevolge dit artikel verstrekt de minister een voorschot van ten hoogste 100% dat in twee termijnen wordt uitgekeerd.

Artikel 12 Vaststelling

Overeenkomstig artikel 24, eerste lid, van het Kaderbesluit en omdat er sprake is van een specifieke uitkering waarbij verantwoord wordt volgens het principe van Single Information Single Audit als bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet vindt vaststelling plaats op basis van die verantwoording.

De minister stelt de uitkering uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de laatste verantwoording is ingediend vast; dat zal in 2024 zijn.

In de regel zal de vaststelling van de uitkering plaatsvinden overeenkomstig het besluit tot verlening. In bepaalde gevallen kan de uitkering echter ook lager worden vastgesteld. Dit is bijvoorbeeld het geval als blijkt dat de maatregelen niet of niet volledig zijn uitgevoerd of als niet is voldaan aan de verplichtingen die aan de uitkering zijn verbonden (artikel 4:46 Awb).

Terugvordering

Indien de specifieke uitkering op een lager bedrag wordt vastgesteld, kan het te veel betaalde op basis van artikel 4:57, eerste lid, van de Awb worden teruggevorderd. Dit geldt ook als de beschikking tot verlening wordt ingetrokken of ten nadele van de ontvanger van de uitkering wordt gewijzigd (artikel 4:48 van de Awb). Terugvordering kan plaatsvinden tot vijf jaren na de vaststelling van de specifieke uitkering (artikel 4:57, vierde lid, van de Awb).

Artikel 13 Evaluatie

Omdat bij een regeling specifieke uitkeringen die mede is gebaseerd op de Kaderwet subsidies I en M de subsidietitel van de Awb van toepassing is, is ook de evaluatieverplichting uit artikel 4:24 van de Awb van toepassing: voor subsidies die worden verstrekt op grond van een wettelijke regeling moet minstens een keer in de vijf jaren een verslag worden gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.

Met dit artikel wordt hieraan invulling gegeven.

Bijlage I

In de bijlage staan de activiteiten benoemd. De indicatoren geven aan welke informatie minimaal aangeleverd zal moeten worden ter verantwoording. Daarnaast zal voor de verantwoording nog een format beschikbaar gesteld worden door ODNL op de website.

Activiteitnummer 1

Bij de deelname aan werk- en projectgroepen zijn ook de reiskosten declarabel, conform de rijkstandaard. Daarnaast geldt dat de deelname in werkgroepen of projectgroepen niet subsidiabel is als deze al zijn opgenomen in de subsidie IBP 2022 aan ODNL (anti-cumulatiebeding).

Activiteitnummer 2

Alle uitgevraagde data loopt via ODNL. Omgevingsdiensten worden hiervoor benaderd.

Activiteitnummer 3

Scholing en opleiding dienen bij te dragen aan de kwaliteit van de uitvoering. Het gaat daarbij in elk geval om (bestaande en nieuwe) opleidingen en training voor BOA’s. Dit is mogelijk voor vaste en tijdelijke medewerkers en inhuur. Daarnaast kunnen ook andere vakgerichte opleidingen bekostigd worden, maar geen algemene opleidingen.

Activiteitnummer 4

Alle uitgevraagde data loopt via ODNL. Omgevingsdiensten worden hiervoor benaderd.

Activiteitnummer 5 en 10

De activiteiten 5 en 10 moeten in nauwe relatie met elkaar worden opgepakt.

Bijlage II

De omzetcijfers per omgevingsdienst waarmee het variabele bedrag van de uitkering wordt bepaald, zijn in afstemming met ODNL opgesteld.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, V.L.W.A. Heijnen


X Noot
1

Kamerstukken II 2020/2021, 28 089, nr. 191.

X Noot
2

Kamerstukken II 2021/2022, 22 343, nr. 329.

X Noot
3

Artikel 5.3, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

X Noot
4

Brzo-bedrijven zijn bedrijven waar met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen wordt gewerkt. In Nederland zijn ongeveer 400 bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken (Besluit risico’s zware ongevallen 2015).

X Noot
5

Coalitieakkoord Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst Coalitieakkoord 2021 – 2025 VVD, D66, CDA en ChristenUnie, 15 december 2021, bijlage bij Kamerstukken II 2021/2022, 35 788, nr. 77.

X Noot
6

Kamerstukken II 2021/22, 22 343, nr. 295.

X Noot
7

Kamerstukken II 2021/22, 22 343 nrs. 294, 297.

X Noot
8

Kamerstukken II 2021/22, 22 343, nr. 336.

X Noot
9

Bijlage IV behorende bij artikel 7.1, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht.

X Noot
10

De verantwoordelijkheid voor het VTH-stelsel bevindt zich in de portefeuille van de Staatssecretaris van IenW.

X Noot
11

Kamerstukken II 2020/2021, 28 089, nr. 191.

X Noot
12

Kamerstukken II 2021/2022, 22 343, nr. 329.

X Noot
13

Samenwerkingsverband van overheden met als doel het voorkomen van zware ongevallen bij alle Brzo-bedrijven.

Naar boven